Transparant: Dit artikel maakten we in betaalde samenwerking met Calabria Straordinaria, de officiële toerismecampagne van de regio Calabrië. De campagne wordt gepromoot door de Regio Calabrië en gefinancierd via het PAC 2014–2020-programma. De foto’s in dit artikel werden aangeleverd door de regio. Wat we schrijven, kozen we zelf.
Wij kennen de hak van de laars: Puglia, met zijn trulli en witte stadjes, hebben we grondig verkend. De teen bleef altijd net buiten beeld, dat stuk Italië waar de meeste rondreizen ophouden en de meeste reisgidsen een halve bladzijde aan wijden. Toen de regio Calabrië ons vroeg om verder te kijken dan Tropea en ons hun fotografie stuurde, was dat het duwtje dat we nodig hadden. Dit is de route die wij zouden rijden, opgebouwd rond wat ons in die beelden en verhalen het meest naar de auto deed grijpen: zee, bergen, tafels en dorpen waar de tijd anders loopt.
Calabrië op de kaart
De regio is groter dan hij lijkt: van de Pollino in het noorden tot Reggio in het zuiden rijd je vier uur. Klik op een speldje.
De zee: twee kusten, twee karakters

Calabrië heeft een Tyrreense kust in het westen en een Ionische in het oosten, en ze lijken niet op elkaar. De westkust is de bekende: steile kliffen, turquoise water en de dorpen die op de foto’s staan. De oostkust is vlakker, leger en Grieks van geschiedenis, met lange stranden waar je in september nog alleen kan zijn.
Het beeld dat ons het hardst trof, is Chianalea, de vissersbuurt van Scilla helemaal in het zuiden. De huizen staan letterlijk met hun voeten in het water; de zee slaat tegen de gevels, en de bootjes liggen aangemeerd waar elders een stoep zou zijn. Erboven hangt het kasteel van de Ruffo’s op een rots, en in de Straat van Messina wordt nog met traditionele boten op zwaardvis gejaagd, met een uitkijkpost van meters hoog op de mast. Als er één dorp is waar we bij zonsopgang met een koffie op een muurtje willen zitten, is het dit.
Tropea hoort er natuurlijk bij, en terecht: het heiligdom van Santa Maria dell’Isola op zijn rots boven het strand is een van de mooiste plaatjes van Italië. Maar het is in juli en augustus ook een van de drukste. Ga in mei of september, klim vroeg naar het heiligdom (de rots is gratis toegankelijk, de kerk vraagt een kleine bijdrage), en rijd daarna twintig minuten door naar Capo Vaticano, waar de kliffen dezelfde kleur water omsluiten met een fractie van het volk.
Aan de Ionische kant is Le Castella onze keuze: een Aragonees kasteel dat via een smalle dam met het vasteland verbonden is, en een beschermd zeereservaat waar je met een glasbodemboot over de zeegrasvelden vaart. Rustiger, rauwer, en met het gevoel dat je iets ontdekt in plaats van iets afvinkt.
De bergen: het Calabrië dat niemand verwacht

Hier zit de verrassing. Calabrië is voor twee derde berggebied, met drie nationale parken die je in een strandbestemming niet verwacht: de Pollino in het noorden, de Sila in het midden en de Aspromonte in het zuiden. Daartussen ligt het Serre-massief, en daar valt de Cascata del Marmarico bij Bivongi 114 meter naar beneden, de hoogste waterval van Zuid-Italië. Vanuit het dorp wandel je er in anderhalf uur naartoe over vijf kilometer bergpad; wie het rustiger wil, neemt de jeep tot het laatste stuk en wandelt nog twintig minuten door het bos.

De Sila is een hoogplateau op 1.200 tot 1.900 meter, met dennenbossen, meren en in de herfst een kleurenpalet dat je eerder in Canada zou zoeken dan in Zuid-Italië. Het Bosco Archiforo in de Serre kleurt in oktober volledig goud. In de Sila slaap je in Lorica aan het Lago Arvo, waar de lokale manege je te paard langs het meer neemt, en in de winter ligt er sneeuw genoeg om te skiën. Dat je in één dag van een strand naar een skipiste kan rijden, is een van de dingen die deze regio zo eigenaardig maken.
Tip: Plan de bergen niet als uitstap vanaf de kust maar als eigen etappe: twee nachten in de Sila of de Pollino. De afstanden zijn groter dan de kaart doet vermoeden en de wegen kronkelen; wie ’s avonds terug naar het strand wil, zit meer in de auto dan in het bos.
Beleven: het Calabrië van de mensen

Wat ons in de campagne het meest aansprak, zijn de ervaringen die je nergens anders krijgt. Raften op de rivier Lao in de Pollino, door een kloof die je van bovenaf niet vermoedt. Te paard rond het Lago Arvo. Een lunch in een catojo in Badolato, de gewelfde kelder onder een dorpshuis waar vroeger de wijn lag en nu de tafel staat. In Serra San Bruno werken de laatste houtskoolbranders van Italië nog op de traditionele manier, met smeulende hopen in het bos, en in Santa Maria del Cedro loop je door een boomgaard van cedro, de reuzencitroen die hier al eeuwen groeit en waarvoor rabbijnen elk jaar uit heel de wereld komen om de mooiste vruchten te selecteren voor het Loofhuttenfeest.

Dat zijn geen attracties met een kassa, het zijn mensen die je iets tonen. Precies daarom vragen ze een beetje planning: reserveer de manege en de rafting vooraf, en vraag je gastheer in het dorp naar het adres van de catojo, want die staan zelden op een bord.
Eten: pittig, eerlijk en niet te licht

De Calabrische keuken is de meest pittige van Italië, en dat komt door één ingrediënt: de peperoncino. Het bekendste kind ervan is ’Nduja, de smeerbare, vuurrode worst uit Spilinga, een dorp van amper 1.500 inwoners op tien minuten van Tropea. Op brood, door de pasta, in een stukje op de pizza: het is verslavend, en wat je hier proeft heeft niets te maken met wat er in Belgische supermarkten in een potje zit.
Daarnaast zijn dit de smaken die je moet zoeken:
- Cipolla rossa di Tropea: de zoete rode ui, rauw op de salade of als confituur bij kaas.
- Tartufo di Pizzo: een bol hazelnoot- en chocolade-ijs met een hart van gesmolten chocolade, gerold in cacao. Uitgevonden in de jaren vijftig in Pizzo, en nog altijd nergens beter dan op het plein daar.
- Liquirizia van Rossano: het zoethout waar de stad al eeuwen om bekendstaat; de wortels groeien wild langs de Ionische kust en worden hier nog altijd tot zwarte staafjes gekookt.
- Morzeddu uit Catanzaro: een stoofpot van orgaanvlees met peperoncino, in een pitta-brood, het straatvoedsel van de hoofdstad. Niets voor bange eters.
- Bergamot: de citrusvrucht die bijna alleen aan de kust bij Reggio groeit en waar de parfumindustrie op draait. Proef ze als sap, in gebak of in de plaatselijke Earl Grey.

Tip: Bestel in Spilinga ’Nduja bij een producent, niet in een souvenirwinkel aan de kust: de prijs is de helft en de worst is gerijpt zoals het hoort. Vacuüm verpakt overleeft ze de vlucht naar huis moeiteloos.
Kunst en cultuur: 2.500 jaar in één regio

Calabrië was Magna Graecia, het Griekse Italië, en het bewijs staat in Reggio. In het Museo Archeologico Nazionale kijk je oog in oog met de Bronzen van Riace: twee Griekse krijgers uit de vijfde eeuw voor Christus, in 1972 door een duiker bij toeval gevonden op acht meter diepte, en zo goed bewaard dat je de zilveren tanden en de koperen lippen ziet. Je gaat de zaal binnen in groepen van twintig, voor twintig minuten, na een klimaatsluis; de toegang kost 10 euro, en elke eerste zondag van de maand is het museum gratis (gecontroleerd in september 2026, gesloten op maandag).

Daarna de dorpen. Gerace boven de Ionische kust heeft de grootste Normandische kathedraal van Calabrië en straatjes waar je door een poort uitkijkt op de zee ver beneden. Stilo heeft de Cattolica, een piepklein Byzantijns kerkje uit de tiende eeuw met vijf bakstenen koepels tegen de bergwand, zo intact dat het uit een ander werelddeel lijkt te komen. Santa Severina zit op een rots in het binnenland met een kasteel dat je van kilometers ver ziet. En Pentedattilo, aan de voet van de Aspromonte, is een spookdorp onder een rots die op vijf vingers lijkt; verlaten na een aardbeving, sinds kort weer bewoond door een handvol kunstenaars.

Wie tijd heeft, rijdt naar Rossano voor de Codex Purpureus, een purperen evangelieboek uit de zesde eeuw dat op de UNESCO-lijst staat, en naar Serra San Bruno, waar het kartuizerklooster zelf gesloten blijft maar het museum ernaast voor 4 euro toont hoe de monniken er al negen eeuwen leven.
- Twee kusten, drie nationale parken en dorpen op rotsen in één regio
- Nog niet ontdekt door de massa, buiten Tropea in augustus
- De pittigste en eerlijkste keuken van Italië, tegen prijzen van vroeger
- Rechtstreekse vluchten vanuit Charleroi naar Lamezia in 2,5 uur
- De afstanden zijn groot en openbaar vervoer is schaars: zonder huurauto lukt het niet
- In augustus is de Tyrreense kust vol en heet
- Engels wordt buiten de toeristische plekken weinig gesproken
- Veel van het mooiste vraagt planning: reserveren, vragen, zoeken
Praktisch
Er geraken. Ryanair vliegt vanuit Charleroi rechtstreeks naar Lamezia Terme, in de zomer van 2026 vijf keer per week, in 2 uur en 35 minuten. Lamezia ligt centraal: een uur naar Tropea, anderhalf uur naar de Sila, twee uur naar Reggio.
Huurauto. Onmisbaar. Reserveer vooraf bij de luchthaven, en neem een kleine wagen: de dorpsstraatjes zijn smal en de bergwegen bochtig.
Wanneer. Mei, juni en september tot half oktober zijn ideaal: warm, zwembaar en rustig. Augustus is druk en heet aan de westkust. In de herfst kleuren de bossen van de Sila en de Serre, in de winter kan je er skiën.
Hoeveel dagen. Minstens een week, liever tien dagen: drie aan de Tyrreense kust (Tropea, Capo Vaticano, Scilla), twee in de bergen (Sila of Pollino), twee aan de Ionische kust (Gerace, Stilo, Le Castella) en een dag Reggio voor de Bronzen.
Alles wat we hier noemen, en veel meer, staat op de officiële site van de regio: calabriastraordinaria.it, met uitgewerkte routes per streek. Volg ook @calabriastraordinariaofficial op Instagram voor de plekken die wij nog niet kennen. Straordinaria. Sempre.
Meer Italië op onze blog
Veelgestelde vragen over Calabrië
Waar ligt Calabrië precies?
In de teen van de Italiaanse laars, helemaal in het zuiden, tegenover Sicilië. De regio heeft een westkust aan de Tyrreense Zee en een oostkust aan de Ionische Zee, met bergen ertussen.
Hoe kom je in Calabrië vanuit België?
Rechtstreeks met Ryanair van Charleroi naar Lamezia Terme, in 2 uur en 35 minuten, in het seizoen vijf keer per week (gecontroleerd in september 2026). Vanaf de luchthaven huur je een auto; zonder auto is de regio moeilijk te verkennen.
Wat is de beste reistijd voor Calabrië?
Mei, juni en september tot half oktober: warm en zwembaar, zonder de drukte en hitte van augustus. Voor de bergen is de herfst het mooist, en in de Sila kan je in de winter skiën.
Is Calabrië meer dan Tropea?
Veel meer. Tropea is het bekendste beeld, maar Chianalea bij Scilla, de Bronzen van Riace in Reggio, de dorpen Gerace en Stilo, de waterval van Marmarico en de bossen van de Sila zijn minstens zo de moeite en een stuk rustiger.
Wat moet je eten in Calabrië?
’Nduja uit Spilinga, de rode ui van Tropea, tartufo di Pizzo als dessert, zoethout uit Rossano en alles met peperoncino. De keuken is de pittigste van Italië.
De campagne wordt gepromoot door de Regio Calabrië en gefinancierd via het PAC 2014–2020-programma. #ad #calabria #calabriastraordinaria #visitcalabria



Geen Reacties